NAF interview met Maarten Hillenaar en Ron Roozendaal

NAF interview met Maarten Hillenaar, CIO Rijk en Ron Roozendaal, CIO Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Interviewers: Frank BaldingerDaan Rijsenbrij (23 augustus 2012)

Introductie van Maarten Hillenaar:

Maarten Hillenaar is sinds 1 januari 2009 CIO Rijk en in die rol voorzitter van de Interdepartementale Commissie van CIO’s (ICCIO). In november 2011 presenteerde de ICCIO de iStrategie van het Rijk met daarin de ambitie voor de periode tot en met 2015. In de iStrategie is een belangrijke plaats ingeruimd voor architectuur. Maarten begon zijn loopbaan bij de VNG en vervolgde die bij PinkRoccade en Het Expertise Centrum.

Introductie van Ron Roozendaal:

Ooit opgeleid als bestuurlijk informatiekundige en psycholoog werkt Ron al bijna 25 jaar bij de rijksoverheid op het snijvlak van bestuur en informatievoorziening. De laatste 2 jaren als CIO van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Daar richt hij zich vooral op de informatievoorziening in de beleidskolom, de uitvoering en in de sector. Binnen de ICCIO is hij verantwoordelijk voor de portefeuille Architectuur en Standaarden. Daaronder vallen onder andere de totstandkoming van de Enterprise Architectuur Rijk, standaardisatie, professionalisering en de Architectuurboard Rijk.

Algemeen: In 2012 bestaat het NAF 10 jaar en telt meer dan 100 organisaties als lid.

Wij gaan een lustrumboek produceren ‘state-of-the-art architectuur 2012’ en presenteren dat op het LAC 2012. Een aantal onderwerpen, die in onze activiteiten voor het NAF –lustrumboek naar voren zijn gekomen willen wij hier bespreken. Daarnaast willen wij jullie als CIO’s vragen om aan te geven, wat jullie zelf belangrijk vinden voor de verdere professionalisering van architecten en architectuurproducten.

Interviewers: Wij merken bij architecten zelf een behoefte om hun competenties als architect aan te vullen met vaardigheden, die hun in staat stellen meer verbinding in organisaties te leggen.

Ron Roozendaal: Architecten waren in het verleden vaak niet de mensen die de verbinding leggen in organisaties. Zij hadden veel meer een rol bij het maken van projectkeuzes. Als je kijkt naar de architectenrol binnen projecten, dan is die rol aanzienlijk volwassener geworden in de laatste 5 jaren. Het helpen bij het keuzes maken binnen een traject of project is sterk verbeterd door o.a. het opstellen van een projectstartarchitectuur. Wij hebben daar binnen het Rijk grote stappen gezet.

Maar het gaat niet alleen om de dingen goed doen (in projecten), de vraag is ook of je de goede dingen en in de juiste richting doet. Door bijvoorbeeld Diginotar is nog pregnanter duidelijker geworden dat alles aan alles is gekoppeld en keuzes invloed hebben op diverse onderdelen in de publieke sector. Wij kunnen dan niet spreken van één keten, maar van een samenhangend (en deels ontkoppeld) netwerk.

Het sturen op die samenhang is belangrijk en staat buiten het werken onder architectuur in projecten. Dat brengt met zich mee dat bestuurlijke keuzes gemaakt moeten worden over projecten heen. Architectuur is volwassen op het domein, waar het zich in ontwikkeld heeft, namelijk het inhoudelijk ontwerpen voor de systeemontwikkeling.

De volgende stap waarnaar gevraagd wordt, is inzicht en overzicht over diverse aandachtsgebieden heen. Zowel verticaal door de diverse architectuurlagen heen, als horizontaal over de diverse domeinen heen hebben wij inzicht nodig om te kunnen sturen op samenhang. Dat is in onze beleving een definitie van het woord ‘architectuur’. De noodzaak om daar meer aandacht aan te besteden ligt in het feit dat projecten op vele manieren afhankelijk van elkaar kunnen zijn en bestuurlijke keuze nodig zijn over projecten heen. De bestuurstafel vraagt steeds vaker om heldere keuzes met inzicht in consequenties, die voorgelegd worden om te kunnen besluiten.

Interviewers: Jullie nemen een verschuiving waar van het aandachtsgebied van één project naar één beschouwinggebied waar inzicht en overzicht over meerdere projecten en domeinen nodig is. Dat zou kunnen betekenen dat de architecten op die transitie nog niet voorbereid zijn; hun behoefte aan meer opleiding in vaardigheden zou daar op kunnen wijzen.

Maarten Hillenaar: Die verschuiving zien we inderdaad. Het is interessant te ontdekken waar de behoefte aan opleiding vandaan komt?  Hebben architecten de behoefte om met die vaardigheden met bestuurders in gesprek te komen. Of komt het omdat ze zich niet senang voelen, omdat ze naar anderen niet goed kunnen uitleggen wat hun vakgebied is en wat ze produceren.

Even een voorbeeld: wij hebben in de ruimtelijke ordening plannen op verschillende niveaus: Vinex-nota’s, ruimtelijke ordeningsplannen, gemeentelijke bestemmingsplannen en verder daarbinnen wijkplannen. Op al die niveaus is er inzicht in samenhang nodig. Wat ik Ron hoorde zeggen, is dat het onderwerp binnen een straat of wijk door architecten traditioneel beheerst wordt. Maar als je op die andere niveaus naar samenhang gaat zoeken, wordt het ‘grote plaatje’ belangrijk. De bestuurder is daarmee bezig en wil op samenhang sturen.

Waar wij nu mee bezig zijn is te kijken of er een beeldtaal mogelijk is om beter over die samenhang met elkaar te praten. Zowel techneuten als bestuurders zouden op die manier elkaar de zaken beter kunnen uitleggen. De tekeningen die een architect in de fysieke wereld met mij uitwerkt is niet de tekening die de aannemer gebruikt om te bouwen. Daar staan details over de dikte van de muren, het betonijzer, de riolering, etc. waarvan de details mij als bestuurder in eerste instantie niet interesseren. Wij zijn op zoek naar verbetering in de communicatie op het gebied waar de bestuurder graag wil begrijpen hoe bijvoorbeeld de samenhang eruit ziet. De plattegronden die we in de bouw of het verkeer gebruiken om te begrijpen hoe een huis gaat worden of hoe we moeten rijden zijn voor mij een mooie metafoor van hoe het gesprek tussen architect en de bestuurder zou kunnen lopen.

Ik denk dat als architecten zich niet gemakkelijk voelen in een gesprek met bestuurders, het een andere oorzaak heeft dan alleen het feit dat ze op dat niveau niet kunnen adviseren.

Interviewers: Wij merken dat architecten veelal uit de engineeringhoek komen en zich van daaruit bezighouden met vormgeving. Als ze aan de bestuurstafel komen, wil men het over zingeving hebben en dat vergt van de architect een mentale omschakeling van vormgeving naar zingeving. Vaak zijn ze niet in die vaardigheid geschoold. Is dat wat jullie bedoelen?

Maarten Hillenaar: Het woord ‘zingeving’ raakt wel de kern. De bestuurder wil over zijn vraagstuk of uitdaging praten en verlangt dat een adviseur zich inleeft en de dialoog aan gaat. Uiteindelijk om te laten zien dat hij het begrijpt en naar de goede oplossingen zoekt. In eerste instantie oplossingen voor het vraagstuk en pas later en indien gewenst oplossingen met bijvoorbeeld IT.

De bestuurder begrijpt steeds beter dat hij ook van IT meer kennis nodig heeft, om uiteindelijk de juiste beslissing te kunnen nemen. Maar juist op het gebied van de zingeving, moet hij het juiste beeld krijgen hoe IT hem kan helpen. Of het nu gaat om bezuinigingen die doorgevoerd moeten worden of hoe hij de klantrelatie of concurrentiepositie kan versterken. Het gaat de bestuurder in eerste instantie om het gevoel dat zijn vraagstuk wordt begrepen.

De bestuurder zoekt dus eigenlijk een sparring partner om zijn vraagstuk helder te krijgen, voordat over vormgeving zoals businessprocessen en IT gesproken gaat worden.

Wij trainen ons topmanagement op dit ogenblijk. Daarbij komen zaken aan de orde op het gebied van opdrachtgeverschap, wat je mag verwachten van een CIO, hoe je naar een businesscase kijkt en wat bijvoorbeeld informatiseringsrisico’s kunnen inhouden.

De architect heeft zijn vak en daar ligt zijn competentie. De bestuurder gaat andere vragen stellen over het veranderingsgebied. Hij vraagt dus eigenlijk om een adviseur die hem daadwerkelijk kan en wil helpen. Als daarop de architect met vormgeving komt (platen, referentiearchitecturen, visualisatie op een technisch niveau) en de bestuurder in vertwijfeling achterlaat, is er door de architect geen vertrouwensrelatie opgebouwd. De bestuurder vraagt niet om vastgelegde tekst of platen. Hij wil een adviseur, letterlijk ‘on speaking terms’, die hem gaat helpen.

Ron Roozendaal: Dat herken ik ook. Een architect is óók de sparring partner op het niveau van de CIO, een ‘reflective practitioner’. De CIO is immers bedacht om de bestuurders te helpen de goede keuzes te maken. Als de architecten daarbij kunnen helpen, is dat een enorme verbetering. Ik denk dat wij daar nog heel veel kunnen halen. Wij moeten dus goed om ons heen kijken of wij de juiste mensen om ons (de bestuurders en CIO’s) heen hebben die daarbij kunnen helpen.

Interviewers: In onze interviews bij de CIO’s hebben wij gemerkt dat veel CIO’s niet tevreden zijn met de hulp die architecten bieden op het bestuurlijke vlak.

Maarten Hillenaar: Wij hebben letterlijk aan onze architectencommunity de vraag gesteld: “Ga je inleven in de problematiek van de bestuurder en help de bestuurder de juiste keuzes te maken”. Dat wel alweer een tijdje geleden.

Een uitdaging voor de architectencommunity blijft het evengoed. Het antwoord dat het onderwerp ergens al beschreven is, is niet meer afdoende.  We boeken overigens duidelijk voortuitgang, de architectencommunity wordt steeds beter gezien.

Ron Roozendaal: Ik heb in mijn ministerie mensen die dat goed oppakken en ben heel tevreden met hun vaardigheden op het gebied van managementadviezen. Als voorbeeld: er werkt bij mij een architect die o.a. aan NORA heeft meegewerkt en dus goed is op de inhoud. Maar hij kan ook naar een DG en een Directeur van een uitvoeringsorganisatie gaan en met hem over de nieuwe AWBZ praten, omdat hij gevraagd wordt mee te denken. Die werelden verbinden, dat is belangrijk.

Interviewers: Dan wordt de vraag dus interessant wat hij meer te bieden heeft dan andere architecten.

Ron Roozendaal: Dat is vooral de wil om het niet als perfectionist in vormgeving op te pakken. Dus niet persé streven naar het mooiste. Hij accepteert dat de wereld bestuurlijk complexer is dan de ideale werkelijkheid. Als je die werkelijkheid zou tekenen is het verre van ideaal of mooi.

Informatievoorziening in de zorg bijvoorbeeld komt mede door belang en onderhandeling tot stand. Dat is moeilijk vooraf te structureren, omdat het te dynamisch is. Het gaat dan vaak om wat haalbaar is, als de stakeholders hebben onderhandeld. Architecten die kunnen accepteren dat het in de bestuurlijke wereld niet om het optimum of maximum gaat, maar om hetgeen na de dialoog wordt bereikt, hebben een streepje voor.

Interviewers: In onze interviewrondes merken wij bij architecten de wil om zich in de zingevingaspecten te verdiepen en ook de wil om vaardigheden aan te leren om te kunnen adviseren in de bestuurlijke wereld. Bij de CIO’s merken wij dat ze behoefte hebben aan adviseurs, zoals jullie dat ook omschrijven.

De vraag is dan of wij de architecten, die dat willen en kunnen, moeten bijscholen of dat wij juist een andere groep adviseurs nodig hebben met veel meer nadruk op adviesvaardigheden op bestuurlijk gebied waarbij verbinding leggen voorop staat.

Ron Roozendaal: Ik denk dat er heel veel vooruitgang geboekt kan worden als architecten in hun werk bestuurlijk aangestuurd en gecoached worden. Er wordt te weinig tegen hen gezegd: “ik begrijp jouw taal niet en kom nu maar eens bij mij aan tafel zitten, dan gaan wij het eens over essenties en zingeving hebben”. Als je elkaars taal gaat leren spreken, zijn er genoeg architecten die uiteindelijk wel met de bestuurders over de relevante onderwerpen kunnen gaan spreken.

Interviewers: Soms zwichten bestuurders voor technologische overload en tekenen dan maar de opdracht om er vanaf te zijn. Dat moet toch ook vermeden worden?

Maarten Hillenaar: Als architecten met onbegrepen documenten en platen bij bestuurders komen, is het aan de bestuurder om dat niet te accepteren en om duidelijke taal te vragen.

Zij moeten dan eisen dat de architecten met tekst en platen terugkomen die zij wel begrijpen en waar zij ‘ja’ tegen kunnen zeggen. Het helpt dan dat ze tegen de architect zeggen: “Ik ben niet in staat dat te begrijpen, leg het mij nog eens op een andere manier uit”.

Dat doe je met je eigen huis dat je wilt bouwen ook. Je wilt de schets van je toekomstige huis begrijpen en er een goed gevoel bij hebben.

Ik ben er op tegen weer een nieuwe functie te creëren tussen bestuurder en architect.

De communicatie tussen die twee groepen, moet direct plaatsvinden en verbeterd worden. Daar kan van twee kanten aan gewerkt worden.

Ron Roozendaal: Ik zie in de laatste drie jaren in de publieke sector heel veel vooruitgang in de dialoog tussen bestuurders en architecten.

Er worden veel meer keuzes op basis van onderliggende documenten gemaakt. Er wordt steeds meer gebruik gemaakt van principes die ook begrijpelijk uitgelegd worden. Ook samenhang en kaders worden nu veel scherper neergezet dan drie jaar geleden.

Bestuurders begrijpen nu veel beter de doelarchitecturen die voorgelegd worden door de architecten. Er is vooruitgang geboekt zowel op technische inhoud, als ook begrip bij de bestuurders voor de onderwerpen die architecten aandragen.

Maarten Hillenaar: Onze oproep aan architecten om onze bestuurders veel beter te helpen bij keuzes en beslissingen, begint nu vruchten af te werpen. Vanuit een kleine centrale club die met referentiekaders zijn begonnen, hebben wij nu een community van 200 architecten, die zich gewaardeerd voelt. Zij worden betrokken bij alle beslissingen waar het onderwerp architectuur van belang is. Er wordt naar hun adviezen geluisterd; sterker nog, zonder advies nemen wij als bestuurders geen beslissingen meer.

Ron Roozendaal: Er is nu bijvoorbeeld ook een ‘Architectuurboard Rijk’ met ruim 30 architecten, die maandelijks bij elkaar komen en op afroep beschikbaar zijn. Dat is een enorme verbetering in de besturing.

Interviewers: Wij hebben in het verleden gezien dat architectuur in golven komt. Het is belangrijk dat in een fase met meer aandacht voor architectuuronderwerpen genoeg wapenfeiten op architectuurgebied worden bereikt. Zijn er in de laatste twee jaren voorbeelden te noemen, waarbij architectuur zijn waarde heeft bewezen?

Ron Roozendaal: Een aantal voorbeelden.

De doelarchitectuur voor datacenters en de doelarchitectuur hoe wij omgaan met toegang en met de documenthuishouding, hebben al heel veel verschil gemaakt met de situatie waarin er geen doelarchitectuur was beschreven.

Deze doelarchitecturen maken bestuurlijk verschil en daar zijn goede resultaten mee behaald. Op het moment dat iemand afwijkt van de vastgestelde doelarchitectuur, wordt bestuurlijk gewoon ‘neen’ gezegd en kan men niet doorgaan.

Interviewers: Hoe kijken de topambtenaren op de departementen tegen die doelarchitecturen aan? Is daar begrip voor?

Maarten Hillenaar: Wat wij merken is dat men over het algemeen verbetering ziet in de aanpak van IT, zonder dat men direct het verband legt met een goede besturing met behulp van architectuur. In de beleving bewijzen referentiearchitectuur en architectuurprincipes hun waarde.

Interviewers: De brede toepassing van architectuur over de diverse zuilen of kokers van de overheid heen, is nu sinds een aantal jaren op gang. In vergelijking met 15 jaar geleden is het architectuurvak nu meer volwassen en die aanpak komt op het goede moment.

Hoe staat het met de opleidingen voor de architect? Is certificeren bij jullie een issue?

Ron Roozendaal: Wij zijn begonnen die discussie te voeren. Wij luisteren wat leveranciers ons daarover vertellen. Intern trekt een lead architect van de Belastingdienst het traject van de professionalisering van de architect.

In het scala van mogelijkheden behoren zowel vakopleidingen als certificering. Wij hebben nog tijd nodig om definitieve keuzes te maken. Natuurlijk willen wij naar goede vakopleidingen toe, met minder soorten architecten.

Interviewers: Wat is de rol van bedrijfs- en informatiearchitectuur bij de aanpak van het Rijk?

Ron Roozendaal: Eigenlijk is het bekende principe ‘eerst organiseren, dan informatiseren’ nog steeds de gouden vuistregel. Wij bekijken eerst vanuit organisatorisch perspectief, daarna werken wij de informatisering uit. Dus dat principe volgen wij uiteraard binnen de overheid. De CIO’s volgen ook dat principe. Dat betekent dat je als CIO ook betrokken moet zijn bij het ontwerpen van processen. Het komt tot uiting in bijvoorbeeld bedrijfsvoering, zoals de compacte Rijksdienst. Daar hebben wij die volgorde vanaf het begin zo aangehouden.

Maarten Hillenaar: Misschien noemen wij het niet altijd businessarchitectuur. Een voorbeeld: er zijn bij de overheid heel veel organisaties die incasso-activiteiten uitvoeren. Je kunt dan bekijken of dat niet efficiënter kan. Door dat in één organisatie onder te brengen en door vervolgens de bedrijfsprocessen te harmoniseren. Dat is een vorm van herontwerpen van de bedrijfsarchitectuur.

Ron Roozendaal: Hetzelfde hebben wij ervaren bij de subsidieverstrekking. Bij inventarisatie bleek dat wij eigenlijk twee soorten hebben. Als je dat op die manier in twee categorieën onderscheidt, ben je dus ook met businessarchitectuur bezig.

Binnen de Rijksoverheid kijkt men nu eigenlijk over de volle breedte naar dit soort organisatievraagstukken. Kan het niet met minder organisaties? Zijn al die verschillen echt nodig? Dat komt vanwege de bezuinigingsrondes en het samenvoegen van ministeries, maar ook omdat het denken over businessprocessen en de logica erachter meer ingeburgerd raakt.

Interviewers: Is er daardoor bij de Rijksoverheid inmiddels een aparte groep bedrijfsarchitecten te onderkennen?

Ron Roozendaal: Neen, dat is op dit moment niet zo te onderkennen. Er zijn in onze werkelijkheid architecten die dat werk doen en architecten die graag bedrijfsarchitect willen worden.

Er vindt een natuurlijk proces plaats, zodat er globaal twee groepen ontstaan.

De ene groep heeft affiniteit met de CIO’s en de business, de andere groep heeft meer affiniteit met de IT-dienstverlening. Wij maken daar nu geen onderscheid in. Wij willen eigenlijk, dat het via een natuurlijk proces ontstaat. Je loopt anders gevaar dat uiterst competente mensen voor het verkeerde arbeidsveld kiezen. Als CIO bij VWS maak ik gebruik van een separate IT-dienstverleningsclub, dan ontstaat de scheiding automatisch.

Maar in feite wordt bij het werk alleen gekeken naar wie wat het beste kan. Één populatie waarin steeds weer gekeken wordt wie voor wat affiniteit heeft.

Interviewers: Moet je niet een groeipad naar een einddoel (de twee architectuurgroepen) vaststellen, zodat carrièrepaden helder gemaakt worden?

Ron Roozendaal: Het groeipad is evolutionair. Laat ik een voorbeeld noemen. Wij zijn bezig met de doelarchitectuur van de Rijkscloud.

Daarbij worden bestuurlijke vragen gesteld. Wij kijken dan wie dat het beste oppakt en wie in staat is om die vragen te beantwoorden. Het werk wordt dan automatisch toebedeeld aan degenen die het vanuit hun affiniteit en competentie goed oppakken. Het onderscheid komt vanzelf tot stand als een evolutionair proces in een team. Er ontstaat vanzelf de inhoudelijke klik die nodig is.

Interviewers: Wij hebben toch nog een vraag over de informatiearchitectuur. Wij merken bij een aantal organisaties dat door een aantal externe ontwikkelingen de behoefte om weer naar informatie/gegevens te kijken actueler wordt. Maatschappelijke ontwikkelingen (denk aan social media), maar ook technische mogelijkheden (bijvoorbeeld big data) kunnen organisaties doen nadenken hoe ze, zonder meteen naar bedrijfsarchitectuur te kijken, met informatie en gegevens willen omgaan. Of zelfs omgekeerd hoe ze missie en visie wellicht zouden moeten veranderen, tengevolge van die ontwikkelingen. Vragen als: ben ik handelaar in informatie en gegevens in een situatie dat de klant op ieder moment zelf zou willen bepalen wat zijn informatiebehoefte is?

Wat is de plaats van de informatiearchitectuur en de gegevens in het architectuurdenken bij het Rijk?

Ron Roozendaal: Neem het voorbeeld van de beleidsinformatievoorziening bij VWS. Daar ben ik samen met één van de beleidsdirecteuren de opdrachtnemer. Het project sturen wij samen aan. Als CIO van het Rijk is informatie een onderwerp dat belangrijk is, misschien wel centraal staat. Architecten bij VWS en voor zover ik dat kan overzien ook op de andere departementen buigen zich in toenemende mate over het onderwerp van beleidsinformatievoorziening. Informatie is een essentieel onderdeel van het werk van CIO’s bij het Rijk.

Een mooi voorbeeld. Voor de zomer vroeg de Tweede Kamer aan de drie departementen Veiligheid en Justitie (V&J), Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW): “hoe denkt u over gegevensstandaardisatie?” De schriftelijke antwoorden zijn allemaal door de CIO’s opgesteld. Daaraan zie je hoe de CIO’s hun verantwoordelijkheid over het onderwerp informatie en het informatiebeleid oppakken. De CIO coördineert dus binnen het departement het onderwerp van gegevensstandaardisatie en daarmee dus ook het onderwerp van de informatievoorziening.

Interviewers: In het domein van informatie(architectuur) lopen veel architecten met veelsoortige benamingen rond. Zoals informatiearchitecten, datawarehousearchitecten, data-architecten, documentarchitecten, etc. Zij hebben soms verstand van een gedeelte van het hele informatiedomein. Hoe kijken jullie tegen die differentiatie of versplintering aan?

Maarten Hillenaar: Ja, dat zien wij ook. Daarom ben ik wat aarzelend als het om het segmenteren van het takengebied van de architect gaat. Wij willen niet dat wij elke keer een nieuwe functie bij een takengebied moeten maken. De manieren of stijlen van verbinden en het vakmanschap van de architect, vind ik veel belangrijker. Het woord samenhang is dominant in de werkzaamheden van het CIO-office. Als je architect bent op een heel klein deeltje, ben je eigenlijk een ontwerper of senior-ontwerper.

Als je verbindingen kunt leggen tussen bedrijfsonderwerpen en de IT-consequenties én over verschillende departementen, ketens of informatieverzorgingsgebieden heen, dan ben je pas architect.

Interviewers: Als jullie wensen aan het NAF mogen formuleren, waar denken jullie dan aan?

Ron Roozendaal: Goede vraag! Hier komt mijn hartekreet. Ik denk dan met name dat er nog teveel nadruk gelegd wordt op de gereedschapskist.

Trek eens de vergelijking met de projectleiderswereld. Tot vijf jaar geleden was het belangrijk dat je bijvoorbeeld opgeleid was in Prince-2. Veel projectleiders volgden die training. Maar het zegt niets of je in de praktijk een goede projectleider was.

Daarna kwam de IPMA-opleiding en bijbehorende certificering om de hoek kijken. Niet alleen de opleiding is daar belangrijk, maar ook in hoeverre je in de praktijk bewezen hebt een ervaren projectleider te zijn met een goede staat van dienst waarin je hebt laten zien dat je de gereedschapskist goed gebruikt.

Dat is nu de verschuiving die ik bij het NAF ook zou willen zien. De verschuiving van de nadruk op de tools, naar een nadruk op bewezen bijdragen in het architectuurwerkveld.

Ik zou de architecten willen aansporen om zich op dat vlak meer te bewegen en dat ook uit te dragen. Het gaat niet om welke tools je gebruikt, het gaat om het verschil dat je hebt gemaakt. Architecten zouden meer kunnen vertellen over tevreden opdrachtgevers en goed werkende systemen die bijdragen aan de performance van de organisatie.

Interviewers: Heb je ideeën hoe het NAF daar verder vorm aan kan geven?

Ron Roozendaal: Het is voornamelijk de mindset waaraan meer aandacht gegeven moet worden.

Wat mij opvalt is dat ik weinig NAF-activiteiten zie over de mindset, over bewezen wapenfeiten, de balans tussen zingeving en vormgeving.

Maarten Hillenaar: Ja, toch maar even weer de vergelijking met de bouw. Iedereen heeft beelden in de fysieke wereld van wat er gebouwd moet worden. Dat zijn specifieke tekeningen waar je als opdrachtgever of koper warm voor loopt. Dat draagt bij tot de beleving en daarmee tot de zingeving. Visualisatie is niet eenvoudig maar toch moeten wij er meer mee werken. Het is belangrijk los van tools, architectenrollen en verbindingleggen ook eenvoudige visualisaties te hebben die iedereen begrijpt.

Wij hebben een keer de cloud moeten uitleggen aan topbestuurders. Ik heb twee cartoons laten maken: voor en na de invoering van de cloud. Dat beeld is blijven hangen en heeft zijn waarde bewezen.

Interviewers: Wij begrijpen dat het NAF meer aandacht aan de mindset van de architect in de CIO-office moet geven. Betekent dat ook dat de mensen die opgeleid worden op HBO of Universiteit eerst moeten bouwen en implementeren, om later door te kunnen groeien als architect?

Ron Roozendaal: Iedereen begint als junior en zou dus moeten beginnen aan de basis. Maar ik zie steeds vaker jonge architecten die dat niet gedaan hebben en toch ook succesvol zijn. Bijvoorbeeld architecten die bedrijfskundig opgeleid zijn of een opleiding met bedrijfskunde en informatievoorziening hebben gevolgd. Zij hoeven dus niet persé in de programmering te hebben gewerkt.

Interviewers: Wij horen ook wel eens opmerkingen vanuit systeemontwikkeling dat architecten platen maken, waar de systeemontwikkelaars niet veel mee kunnen zodat zij opnieuw proberen architectuur in technische ontwerpen om te zetten.

Het is interessant dat een keer te onderzoeken. Hoe kijken systeemontwikkelaars aan tegen die architecten?

Maarten Hillenaar: Ja, ik denk dat die kant van de medaille best het onderzoeken waard is.

Opmerking

Je moet lid zijn van Via Nova Architectura om reacties te kunnen toevoegen!

Wordt lid van Via Nova Architectura

Sponsoren

Sessies

15-02: GIA sessie over digitale transformatiespel meer...

19-03: NAF Insight met Jeanne Ross meer...

Advertenties

Je kunt hier adverteren

© 2018   Gemaakt door Stichting Digital Architecture.   Verzorgd door

Banners  |  Een probleem rapporteren?  |  Algemene voorwaarden